"Memoires van Kroonprins Wilhelm" - uitg. Mundus - Amsterdam, pag. 249 e.v.
"Eindelijk krijgen we
dan enige houvast voor mijn toekomst. Overste Schröder brengt het bericht, dat
de Nederlandse Regering mij als woonplaats heeft aangewezen het eiland
Wieringen.
Wieringen! Het eiland Wieringen?
Niemand in huis weet waar het
eiland kan liggen.
Wieringen?
Voor het eerst van mijn leven hoor ik de naam. En kan mij daarbij niets
voorstellen, niets denken.
En nu, terwijl ik deze herinnering schrijf woon ik
bijna drie jaar op dit kleine plekje vaste grond in de zee.
Ook dit laatste deel
van de reis naar mijn exil ging gepaard met kleine hindernissen en tegenslagen.
's Morgens vroeg nemen wij afscheid van onze goede gravin. Om zeven uur
vertrekt de trein van het kleine station te Roermond. Wij worden vergezeld door
een Nederlandse kapitein.
Tegen een uur 's middags zijn wij in Amsterdam - heel
veel nieuwsgierigen op het station, militairen voor de afzetting - en om drie
uur komen wij in Enkhuizen, een klein nest aan het strand van de Zuiderzee. Hier
wacht - zoals ons tijdens de reis werd meegedeeld - een stoomjacht van de
Waterstaat op ons om ons naar het eiland Wieringen te brengen.
Maar het jacht is in de mist gelopen op een zandbank voor Enkhuizen - en laat
op zich wachten. Tijdens het hierdoor veroorzaakte oponthoud oefent de bevolking
van Enkhuizen zich in schreeuwen, jouwen, fluiten en scheIden. Een niet verkeerd
te begrijpen gebaar naar de hals - en dan hoger, dat mij met opmerkelijke
mimische kracht de menigte steeds weer laat zien, maakt mij duidelijk, hoe diep
de caricatuur van mij, door de ententepropaganda getekend en verspreid, ook in
het neutrale buitenland wortel heeft geschoten. De stemming wordt er niet
opgewekter door.
Eindelijk, na lang gepraat, wordt besloten aan boord van de kleine sleepboot
te gaan en ons jacht te zoeken. Vooruit dus! De mist ligt zo dik over de
Zuiderzee, dat men geen twintig meter ver kan zien. En van over zee komt een
ijzig koude wind. Ik sta op het dek van de kleine slingerende sleepboot en kijk
in de grijze mist. Urenlang! Troosteloos. Eindelijk vinden wij het jacht - maar
groot is de vreugde niet. De schroef is gebroken. Eerst moet het ding vlot
gemaakt worden, dan aan de sleepboot vastgebonden, langszij. En dan is men
gelukkig zover, dat men koers kan zetten naar Wieringen. Ja! Als men maar wist,
waar Wieringen ligt. In de mist, bij toenemend donker en sterke storm en zeegang
zoeken onze fabelachtige zeelieden urenlang naar het eiland - en kunnen het niet
vinden. Weg is het - als opgeslokt door de zee en de mist.
Eindelijk, om tien uur 's avonds ongeveer, geven de heren het zoeken op en
besluiten de nacht voor anker te gaan. Maar ook dat is niet heel verstandig
gezien, want de zeegang is zo sterk, dat de beide schepen steeds weer tegen
elkaar slaan. Er zijn al heel wat klinknagels losgegaan - en als het zo door
gaat, lopen wij grote kans te verdrinken.
Dus het anker weer opgehaald! Nu zoeken wij naar de haven Medemblik op het
vaste land - en omdat koene zeevaarders vaak meer geluk dan verstand hebben,
vinden wij de haven ein-delijk tegen middernacht.
Wieringen? De dag gaf een voorproefje, dat de verwachtingen niet te hoog
spande. De volgende dag lukt het! 's Morgens - de zee was kalm geworden - gaan
wij weer op het schip en zijn tegen de middag, bij stil helder winterweer, op
het eiland. De indrukken op het ogenblik, dat ik voet zette op de vaste grond
van het kleine stukje aarde, zal ik nooit vergeten. In de haven weer vele
mensen, mensen van het eiland, die stil en wantrouwig deze merkwaardige
inkwartiering aanstaren, praatgrage reporters uit de gehele wereld en handige
photografen. Als een zeldzaam dier, dat nu gelukkig gevangen is, voel ik mij.
En ik zou velen van deze haastige en drukdoen-de heren wel willen zeggen;
Vraagt niet en blijf mij met de camera van het lijf. Rust wil ik - rusten,
denken, begrijpen na al dit ongeluk - verder niets!
In een stokoude wagen
- stellig de beste, die er op het eiland te vinden is - gaat de reis verder naar
het dorp Oosterland. Naar traan en oud leer ruikt het in de eerwaardige
rammelkast. Nu nog, als ik de ogen dicht doe en aan deze reis denk, ruik ik de
lucht.
Voor de kleine, erg uitgewoonde pastorie worden wij uitgeladen. Kaal, leeg is
alles.
Een paar oude, kaduke meubelen - rommel!
En daartussen, als spoken,
kou en eenzaamheid.
Buiten voor het huis draait de gebrekkige kar steunend en
krakend om en slingert weg door de modder in de mist.
Thuis!
Bij deze
gedachte wordt mij de keel dichtgeschroefd. Dagen en weken, zo donker, zo
loodzwaar, dat ze bijna niet te dragen zijn. Als een gevangene, geminacht,
beweegt men zich in deze kleine kring tussen mensen, die somber, schuw
wegkijken, als men ze passeert, die, nieuwsgierig soms een blik wagen uit half
gesloten ogen. Ik ben de bloedzuiger en kindermoordenaar - men is kwaad op de
regering, die mij vrij laat rondlopen op dit eiland - die dit eenzame eiland
zo'n overlast bezorgde."