Zoowel de eene als de andere weg legde ik voor dienst of voor pleizier vaak af,
meestal in gezelschap van Graaf von Kubitz, die zoo zijn introducties had in het Legergroepskwartier,
waar hij vrijwel iedereen kende.
Hoewel er niets in het verleden was, dat aanspraak kon maken op bijzondere bewondering of aantrekkingskracht kon uitoefenen,
had het stadje niettemin met zijn wonderlijk vierkant hoofdplein met oude gevels, zijn kerk met twee klokketorens,
zijn 18e eeuwsche heerenhuizen, zijn groote gewelfde poort, zijn oude vestingwerken en zijn gelukkige ligging op den Maasoever,
temidden van de lachende omlijsting van boomgaarden, tuinen en weiden, een bijzonder aantrekkelijk en aanblik kunnen opleveren.
Maar, zooals in zooveel plaatsen in Frankrijk, had de bureaucratie het stadje laten verschrompelen en vervallen,
inplaats van het, zooals in Duitschland, door gemeentelijke zorg te doen restaureer en onderhouden.
Wat het meest opviel, dat was het uitgestrekte complex van kazernen, in het midden van het stadje, nieuwbouw,
en volgepropt met acht à tien duizend van onze Feldgrauen.
Verder had onze bezetting geen moeite gespaard om de stad te reinigen
Bruikbare meubels waren gerequireerd en in plaats van de Fransche waren nieuwe naamborden met Duitsche opschriften
in de straten aangebracht, zoodat b.v. de hoofdstraat "Rue Chanzy" nu "Kronprinz Wilhelmstrasse" heette.
Zijn Keizerlijke Hoogheid bewoonde een weelderige, moderne villa, in het uiterste Noorden van Stenay aan den weg naar Cervisy.
Zij was het eigendom van een zekere dame, die Duverdier heette en droeg den naam van "Chateau des Tilleuls".
Hier was het, dat de Kroonprins bezoeken van beteekenis ontving, audiëntie verleende,
ontelbare ridders van het IJzeren Kruis decoreerde en de officieren van zijn staf verzamelde aan diners of soupers.
De Prins kwam altijd tusschen elf en twaalf uur in het stafkwartier, las dan de binnengekomen rapporten en het legercommuniqué.
Maar het voornaamste punt van ontmoeting was het casino.
|